Stap voor stap komt deze site in een nieuwe jas weer on-line. Links vindt u de rubrieken.
Nu werkend is: t/m Muziek - Algemeen .

www.audio-muziek.nl

Rubrieken

  actueel archief

muziek
  algemeen
  componisten/werken
  discografieën
  cd recensies
  dvd recensies
  lezersrubriek

opera/operette
  algemeen
  opera actueel
  discografieën
  cd recensies
  dvd recensies

portretten
  dirigenten
  ensembles/orkesten
  solisten
  interviews

audio/video
  apparatuur
  techniek
  video
  Jan Kool †
  lezersrubriek

boeken
  recensies
  Jan de Kruijff

  zoeken
  links
  contact

Muziek Algemeen

'Orgel in zeer groot, op. 43, J.L. van den Heuvel'

Het nieuwe Van den Heuvel orgel in de

Victoria Hall te Genève

© Armand van Ommeren, 1993

Na oplevering van het grote orgel in de Saint Eustache te Parijs - waarover ik u berichtte in Orgel & Keyboard van februari/maart 1990 - begonnen de gebroeders Jan en Peter van den Heuvel en hun medewerkers direct met het orgel voor de Victoriahal in Genève. Dat orgel is inmiddels op 8 februari van dit jaar in gebruik genomen. Op 14 februari was er een concert voor genodigden van het stadsbestuur van Genève, waar Hans Goddijn en ondergetekende ook voor uitgenodigd waren. Nauwelijks aanmoediging nodig pakten wij onze koffers en togen per Fokker-100 naar Genève. Op naar de Rue Général Dufour, naar de Victoria Hall.

Het nieuwe Van den Heuvel orgel in Genève is het derde van de Victoria Hall en het 43ste van de firma Van de Heuvel. Het gebouw is van een eigenaardige architectuur: de voorgevel is smal en een beetje gedrongen; van een concertzaal verwacht je grotere afmetingen. Eenmaal binnen vind je dat terug, want ook de zaal lijkt abnormaal lang en smal. Maar ook hoog en bijzonder rijk versierd met ornamenten, deels met goud bedekt. Over smaak valt niet te twisten, maar indrukwekkend is het zeker. De zaal heeft een ingrijpende restauratie achter de rug; die was noodzakelijk door een brand in 1984. Toen vond een jongen van 15 het nodig het orgel aan te steken: daar bleef niets van over. De zaal liep zware brandschade op en toen die minutieus was hersteld moest er een nieuw orgel komen. Geen eenvoudige zaak, want het orgel staat op een uiterst ongelukkige plaats: alle pijpen bevinden zich achter een massieve rand van pilaren en een dikke balk die het dak draagt, waar veel geluid achter blijft hangen, zoals op de foto ook duidelijk te zien is. Om esthetische redenen mag het orgel niet juist onder of vóór die balk geplaatst worden. In mijn ogen weer een typisch voorbeeld van vorm vóór functie, wat in wezen te gek is om over te praten.

Victoria Hall

Daniel F. Barton (geboren 1850 in Edinbrough) was Brits consul te Genève van 1888 tot 1897 en heeft erg veel gedaan voor het muziekleven van de stad. Zo richtte hij o.a. de `Harmonie Musique' op en liet voor dat orkest een zaal bouwen die hij `Victoria Hall' noemde, als eerbetoon aan de toenmalige Britse vorstin. De bouw vond plaats tussen 1891 en 1894 en in 1904 werd het gebouw geschonken aan de stad Genève. Iedere muziekliefhebber kent het gebouw als de résidence van het beroemde Orchestre de la Suisse Romande. De akoestiek is tamelijk droog: dat komt waarschijnlijk door de relatief lange, maar smalle zaal èn door de zeer rijke - om niet te zeggen overdadige - ornamentering. Wèl moet gezegd dat de akoestiek heel herkenbaar is en dat deze voor musici het voordeel heeft van een zeer grote helderheid, wat het volgen van diverse partijen vergemakkelijkt. Laten we zeggen dat de akoestiek allereerst helder en doorzichtig is; die van ons eigen Concertgebouw of van de Musikverein in Wenen zijn aangenamer, maar dat gaat iets ten koste van de doorzichtigheid. In het openingsconcert was dat ook goed te horen: de strijkers van het Orchestre de la Suisse Romande klonken zeldzaam fraai en stegen ver uit boven hun (toch al niet geringe!) reputatie. Ik was bepaald onder de indruk van de zuiverheid en de klank, waar de zaal een duidelijk aandeel in had.

Opmerkelijk was ook de balans met het orgel: in de lege zaal - daags vóór het concert - hadden wij zo onze twijfels over wat ons in het concert te wachten zou staan, want de akoestiek deed nogal onwennig aan. Maar inderdaad, zoals Peter van den Heuvel ons al voorspelde, op een plaats ongeveer midden in de zaal was de balans uitstekend en kwam alles optimaal tot zijn recht: van de al genoemde strijkers tot de blazers, het slagwerk en het orgel. Voor mij niet de mooiste akoestiek die ik ken, maar zeker de helderste, zònder hard te zijn.

1894

In 1894 werd het eerste orgel in de Victoria Hall in gebruik genomen. Bouwer was Théodore Kuhn uit Zürich en tijdens het openingsconcert werd de derde symfonie van Charles-Marie Widor door de componist zelf uitgevoerd. Widor was toen vaste organist van de Saint Sulpice te Parijs en zijn derde symfonie was speciaal voor deze gelegenheid gecomponeerd. Het orgel van Kuhn had 45 registers, verdeeld over drie manualen en pedaal. Niet gigantisch, maar, zeker voor die tijd, een behoorlijk concert-orgel. De tractuur was pneumatisch en het orgel had twee grote luchtbalgen en drie luchtpompen die door een hydraulisch systeem werden aangedreven. De klank van het orgel was geheel in de Frans symfonische stijl die in die tijd uiterst populair was. Vooral de trompet was in het orgel sterk vertegenwoordigd: drie complete registers in 16, 8 en 4 voet. Zeer opmerkelijk was verder dat de pneumatische tractuur van het orgel al direct onder kritiek kwam te liggen. De voorstanders meenden dat de pneumatische tractuur directer is dan de mechanische, wat in technisch opzicht een volstrekt onhoudbare stelling is. Kortom, er waren problemen met de tractuur en vooral de Frans georiënteerde musici gaven krachtig de voorkeur aan mechanische systemen met `Barker-hefbomen'. Een rapport uit 1895 gaf aan dat, hoeveel waardering men ook had voor de intonatie en de klank van het orgel, de `pneumatique' naast voordelen (gelijkheid van toucher over alle manualen) ook grote nadelen had. Vooral Bernard Tschanun - een orgelbouwer in Genève, die het blijkbaar niet goed kon verkroppen dat een Züricher bouwer het orgel mocht leveren - had fundamentele kritiek en bood en passent ook maar enige nieuwe ideeën voor de klank van het orgel aan. Zijn ideeën werden echter afgewezen: de bestuurderen bleven vooralsnog aan de zijde van bouwer Kuhn staan. Het gevolg daarvan was echter dat aan de zaken die wel degelijk verbetering behoefden óók niets werd gedaan en in 1929 viel aan ingrijpende renovatie niet meer te ontkomen. Gustave en Adolphe Tschanun - zoons en opvolgers van de al genoemde Bernard - stelden terecht dat een orgel niet 35 jaar lang zonder behoorlijk onderhoud aan zijn lot kan worden overgelaten. En 15.000 Zw.Fr. later kan in februari 1931 het gerestaureerde orgel in gebruik worden genomen.

Hydrotherapie

De pret was van korte duur: al datzelfde jaar bleken een paar registers in het geheel niet meer te werken. Tschanun probeerde nog een keer het pneumatische systeem van Kuhn daarvoor verantwoordelijk te stellen, maar het waren de door Tschanun genstalleerde afwijkende pneumatische systemen die niet op de juiste manier werkten. Het probleem was de grote gevoeligheid van het orgel voor veranderingen in temperatuur en vochtigheid. Er zijn een paar concerten gegeven waarvoor Tschanun zelfs het hele orgel heeft volgezet met tientallen pannen en potten met water om de vochtigheid hoog en het orgel aan de `praat' te houden. Na deze inmiddels legendarische `irrigatie' van het orgel in de Victoria Hall hadden de organisten wel genoeg van het orgel; ook al omdat de klank van het orgel na de `restauratie' aanzienlijk had ingeboet. Juist vóór de oorlog werd besloten het orgel dan maar te vervangen door één met elektrische tractuur uit de `neo-classique'. Tot 1946 heeft het orgel zich hortend en stotend (misschien is hier `gorgelend en stomend' beter op zijn plaats?) weten te handhaven, maar toen was het echt met haar gedaan. Opmerkelijk is dat studie onder alle 130 programma's die op het orgel van Theodore Kuhn waren gespeeld, zich slechts één recital voor orgel solo bevond: dat van Eugène Gigout op 6 oktober 1897. Op 7 april 1946 vond waarschijnlijk het laatste concert op het orgel plaats met Pierre Segond aan de speeltafel. In de zomer van hetzelfde jaar werd het instrument gesloopt.

1946

In 1945 waren er contacten tussen de federale expert Ernest Schiess en een aantal beroemde organisten: Richard Jeandin (Saint Joseph), Eric Schmidt (Saint Gervais) en Pierre Segond (Saint Pierre). Hoe verbazingwekkend het ook mag klinken, de gemeente Genève zocht zowel Th. Kuhn uit Männedorf, als G. Tschanun & Cie te Genève aan voor het bouwen van het nieuwe orgel: men hoopte uit de beide concurrenten een samenwerkingsverband te kunnen toveren. Dat ging werkelijk op alle fronten mis: Gustave Tschanun ging met pensioen en zijn opvolger, Rudolph Ziegler weigerde met Kuhn samen te werken. Bleef Ziegler alleen over.

Voorzien was een orgel met drie manualen en zo'n vijftig registers, maar toen ook Charles Faller, organist van la Cathédrale de Lausanne werd geraadpleegd groeide het orgel naar 80 registers en vier manualen. Rudolph Ziegler kon het ook al niet vinden met Ernest Schiess, waarop de laatste zich terugtrok. Maar ook binnen het bedrijf Tschanun waar Ziegler de scepter zwaaide boterde het niet erg, zodat uiteindelijk Ziegler zelf een stap terug moest doen ten gunste van Henri Glättli. Want de firma Tschanun was in grote financiële problemen geraakt. Het resultaat was dat het orgel veel meer kostte dan begroot was en niet werd opgeleverd op 1 oktober 1948, maar op 20 oktober 1949.

Op vrijdag 21 oktober 1949 werd het nieuwe orgel van de Victoria Hall officieel in gebruik genomen, met een concert van het Orchestre de la Suisse Romande olv Ernest Ansermet en drie organisten: Marcel Dupré, Eric Schmidt en Pierre Segond; de laatste met de derde symfonie van Saint-Saëns.

De eerste indrukken geven al aan dat het orgel te zacht is en in de zaal niet tot zijn recht komt. Op 23 februari 1950 geeft André Marchal een recital: het is het tweede orgel solo-recital dat ooit in de Victoria Hall is gegeven, meer dan een halve eeuw na dat van Gigout, die overigens de leraar van Marchal was! Daarna moest al weer een hele tijd gewacht worden: pas in 1959 kwam het eerstvolgende recital: Karl Richter speelt dan een Bach-recital. Daarna krijgt het instrument heel wat meer te doen. Organisten van naam komen af en aan: Pierre Segond, Lionel Rogg, Anton heiler, Marie-Claire Alain, Helmut Walcha, Jean Guillou en vele anderen.

1961

Wie dacht dat de zaken hiermee geregeld waren zit ernaast. Al voor het einde van 1949 kwam er een rapport dat de problemen met het orgel behandelde. Er waren drie belangrijke punten, die overigens ook in de huidige situatie een rol spelen en die door Van den Heuvel terdege in het concept van het nieuwe orgel zijn opgenomen. Het rapport van 12 december 1949 stelt:

Er zijn drie principiële oorzaken voor de problemen:

  1. de vorm van de zaal en de aankleding ervan
  2. de positie van het orgel; in een soort alkoof van de zaal die een normale verspreiding van het geluid belet.
  3. de gortdroge akoestiek. Prettig misschien voor een radio-studio, maar niet aangenaam voor de toehoorders.

Men mag zich afvragen waarom een dergelijk rapport met zulke belangwekkende feiten eerst ná de oplevering van het orgel het licht ziet? En hoe het mogelijk is dat iemand met verstand van klank dat niet direct bij het betreden van de zaal hoort en ziet? Hoewel het orgel op zich voldoet, is de combinatie met de zaal niet helemaal geslaagd. In de jaren 1961/63 worden allerlei modificaties aangebracht waarmee het aantal registers van 84 op 90 wordt gebracht. Opvallend aan het uiterlijk zijn de naar voren uitstekende extra registers, die gericht geplaatst zijn ter compensatie van de gesignaleerde akoestische problemen. In 1981/82 tenslotte wordt een aantal elektrische hulpmiddelen ingezet om het gebruik van de speeltafel flexibeler te maken. Dit is dan de staat waarin het Ziegler orgel verkeerd op het moment dat een jongen van 15 in 1984 de zaak in brand steekt. Het laatste concert op het Ziegler orgel wordt gegeven op 21 juni 1984 met de Faust-symfonie van Franz Liszt. Ook het tweede orgel van de Victoria Hall gaat in de nacht van 16 september 1984 aan vocht ten onder, zij het deze keer dat van de brandweer!

Het nieuwe orgel

Een commissie van experts o.l.v. Claude Ketterer gaat aan het werk. Nadat door een aantal orgelbouwers voorstellen zijn ingediend, is de commissie bestaande uit Pierre Segond, Louis Robilliard, François Delor, Jean-François Vaucher en Lionel Rogg unaniem van mening dat het een - uiteraard - symfonisch orgel moest worden in de Franse traditie en volgens de principes van Artistide Cavaillé-Coll (1811-1899). De opdracht gaat naar J.L. van den Heuvel in Dordrecht, de enige die grotendeels is geïnspireerd op Cavaillé-Coll. De commissie wordt dan voortdurend bijgestaan door een technisch expert, orgelbouwer Georges Lhôte, en er ontstaat een continu overleg tussen hen en Jan en Peter van den Heuvel. De speeltafel krijgt een plaats net vóór het orgel en niet meer temidden van de musici van het orkest, zoals voorheen het geval was. Dan zou de tractuur elektrisch naar het orgel overgebracht moeten worden, en daar wilde Jan van den Heuvel niet aan. Bovendien is dat een kostbare zaak. Dat betekent allerminst dat er geen elektriek in het nieuwe orgel zit: alle registers kunnen elektrisch gekozen worden èn in een geheugen worden opgeslagen. Tussen de manualen zitten, nauwelijks zichtbaar, kleine zwarte druktoetsjes waarmee de in het geheugen opgeslagen register-combinaties kunnen worden gekozen, zodat ook zònder registrant gespeeld kan worden.

Vanzelfsprekend heeft Van den Heuvel ook in dit orgel weer haar `oplopende winddruk' toegepast. Een uitgangspunt dat voor heel wat aanhangers van de neo-baroque aan kannibalisme grenst. Toch is de achtergrond heel duidelijk en geheel in de pas met de ontwikkeling van bij voorbeeld strijkorkesten. Als we zien wat er in de laatste 15 - 20 jaar is gebeurd met de klank van orkesten, dan zou het eigenlijk vreemd zijn dat die ontwikkeling aan de orgelbouw voorbij zou gaan. Jan van den Heuvel stelt dan ook dat bij voorbeeld bij de trompet minder wind nodig is voor de lage tonen dan voor de hoge. Daarvan profiteren ook de fluiten en de tongwerken. Deze techniek houdt in dat binnen hetzelfde register meer lucht wordt toegevoerd naarmate de pijp kleiner is (en de toon hoger). De hoogst gebruikte winddruk is 150 mm waterkolom; deze wordt gebruikt voor de batterij horizontale trompetten van het bombardewerk. Het gevolg is - in Genève heel duidelijk te horen - dat, wanneer de organist dat wil, ook bij het volle werk één stem er schitterend bovenuit kan torenen, net als de piccolo of de fluit in een orkest. Dankzij deze techniek wordt het karakter expressiever, precies zoals de Franse school het graag ziet. En gezien de opdrachten die Van den Heuvel ontvangt niet alléén de Franse....

Het orgel bezit vier luchtmotoren met 11 balgen die de 5.500 pijpen voeden. Alle balgen zijn zo dicht mogelijk bij de pijpen die ze voeden geplaatst. De toetsentractuur is traditioneel van bouw met eikenhouten winkelhaakjes en balansen, abstracten van cederhout en walsen van ijzer. De koppels zijn alle mechanisch. De 32 windladen waarop de pijpen staan zijn gemaakt van eiken en mahonie en zijn bestand tegen extreme veranderingen in de luchtvochtigheid. Het grote pijpwerk van pedaal en de grote frontpijpen staan op afzonderlijke windladen. De toetsen van de vrijstaande speeltafel zijn direct verbonden met het Grand Orgue, het Positif en het Bombarde klavier. Ook hier wordt gebruik gemaakt van `Barker-hefbomen'. Het toucher blijft er even exact mee en men blijft het gevoel van werkelijk mechanische tractie behouden, zelfs wanneer op het tutti wordt gespeeld. Van den Heuvel heeft erg veel onderzoek naar de Barker-hefboom gedaan en is tot de slotsom gekomen dat het laatste type, zoals dat werd gebruikt door Cavaillé-Coll (bij voorbeeld de Saint Ouen te Rouen) de voorkeur verdient. Deze Barker-hefbomen zijn opgesteld in afzonderlijke kasten die drievoudig geïsoleerd zijn tegen bijgeluiden. Er is dan tijdens het spel niets van te horen. Het Récit expressif en het Pédale worden ondersteund door de deze Barker machines, maar ook de koppels en desgewenst het Grand Orgue en Positif kunnen op de Barker-hefbomen worden aangesloten. De registraties kunnen worden voorgeprogrammeerd tot in totaal 672 registercombinaties. Het is een even fraai als spookachtig gezicht als met één druk op een knop de registerknoppen in de gewenste stand springen!

Concert d'inauguration

Op 14 februari 1993 werd het nieuwe orgel met een groots concert ingewijd, waarbij het hoogtepunt toch wel de derde symfonie van Saint-Saëns was. Niet zozeer in muzikaal opzicht, dat was voor mij het orgelconcert van Poulenc, maar omdat dit werd gespeeld door organist Pierre Segond, die hetzelfde werk had gespeeld bij de ingebruikname van het vorige orgel en zelfs nog heeft gespeeld op het eerste orgel in de Victoria Hall. Bij een kort gesprek met hem na afloop vielen vooral de humor en de vitaliteit van deze inmiddels 80 jarige organist op. Hij werd van achter zijn orgel vandaan naar beneden geroepen en kreeg een welverdiende staande ovatie, waar hij even verguld als verlegen mee was.

Besluit

De pers en de musici zijn unamiem in hun lof voor het nieuwe instrument: Jean Guillou - organist van het Van de Heuvel orgel van de Saint Eustache - kon niet aanwezig zijn maar stuurde, net als burgemeester Jacques Chirac van Parijs een telegram. Jean-Louis Coignet, adviseur van de stad Parijs was er zelf. Concurrerende orgelbouwers uit Franrijk en Zwitserland waren ook gekomen (zelfs zij die meegedongen hebben naar de opdracht) en waren evenzeer vol bewondering, net als mijn buurman tijdens het concert, Armin Jordan, de huidige vaste dirigent van het Orchestre de la Suisse Romande. Nederlandse bouwers en adviseurs hebben we niet gezien: Zwitserland blijkt een stuk groter dan Nederland .....

Ze zouden tòch eens moeten komen: misschien vergaat het ze net als ons, en het best te omschrijven in de woorden van Jean Guillou over `zijn' Eustache-orgel: "Het Van den Heuvel orgel is een meesterwerk in de geest van de middeleeuwse kathedralen, een volmaakte eenheid van ontwerp tot realiteit door architect, ingenieur en ambachtsman. Elk deel van het instrument kan bekeken, aangeraakt en beluisterd worden, waarbij een evenredige bewondering ontstaat voor materiaal, vakmanschap en verfijnde klankschoonheid. Het is een werk van liefde, produkt van een toegewijde, geleerde en gedisciplineerde geest. Een ieder die oog heeft voor de oneindig vele details, zowel in constructie als estethiek, zal van het orgel gaan houden. Na talloze orgels in de hele wereld te hebben beoordeeld ben ik ervan overtuigd dat slechts zeer weinig instrumenten met dit niveau kunnen wedijveren." Wat ons inziens zonder voorbehoud ook voor het orgel in de Victoria Hall geldt.

terug naar index van Muziek Algemeen

Sponsors:

 

U mag gerust doneren.

Advertenties:

 


 

Sponsors:

U mag gerust doneren.