Stap voor stap komt deze site in een nieuwe jas weer on-line. Links vindt u de rubrieken.
Nu werkend is: t/m Muziek - Algemeen . www.audio-muziek.nl |
|||||
Rubriekenmuziek opera/operette portretten audio/video boeken | Actueel ArchiefKlassieke-muziekcultuur gaat ten onder (2)Orchesterdämmerung: sterfhuisconstructie voor symfonische sector dreigt© Jan de Kruijff, 12 oktober 2005 Na een symposium in het kader van het Rotterdamse Gergjev festival 2005 schreef Kees Vlaardingerbroek, de manager van het plaatselijk muziekcentrum een somber, haast wanhopig en defaitistisch opiniestuk over het aanstaande einde van het klassieke symfonieorkest. Het is niet moeilijk om een groot deel van zijn zorgen te delen. Als Winnie Sorgdrager, voorzitter van de Raad voor Cultuur zegt dat orkesten niet hoeven te worden gesubsidieerd “omdat ze het publiek dingen door de strot duwen” is dat tekenend en schandalig voor een gezagsdrager. Na alle fusies en opheffingen die in de muzikale ensemblewereld al achter de rug zijn en na de inkrimping plus herstructurering van de omroeporkesten is er opnieuw reden tot zorg. Maar inmiddels van semi insider tot louter muziek consumerend volslagen outsider geworden is het ook niet louter kommer en kwel en denk ik terug aan het gesprek dat de oude Brahms en de jonge Mahler tijdens een wandeling langs de Donau in Wenen hadden. Toen Brahms in eenzelfde ‘einde der goede muziektijden nabij’ stemming verzuchtte dat het dreigde af te lopen met de hoge kunst, antwoordde Mahler: “Kijk, daar gaat de laatste golf”. Hij kreeg gelijk met een veelheid aan nieuwe golven. Natuurlijk zijn er ook nu begrijpelijke jobstijdingen en kwalijke ontwikkelingen, maar daar staan gelukkig heel wat bemoedigende ontwikkelingen tegenover. Denk bijvoorbeeld aan het volgende: • de veerkracht van de overlevende orkesten. Na de slachting bij de omroep hebben ondanks alle veroorzaakte pijn en beperkingen de twee overgebleven, nieuwe orkesten al meteen hun belang en waarde bewezen • het kan best wezen dat te veel musici worden opgeleid, maar er worden bewonderenswaardig veel nieuwe initiatieven ontwikkeld, flexibele ensembles, projectgroepen geformeerd. Het is een genoegen te zien hoe gevestigde orkesten zich verjongen zonder er kwalitatief op achteruit te gaan. In tegendeel vaak. • bewonderenswaardig ook de manier waarop getalenteerde en gemotiveerde muziekstudenten ondanks de ook in het muziekonderwijs uitgebroken chaos en verloedering toch gewoon ‘hun ding’ doen, vaak in het besef dat een bovendien slecht gehonoreerde vaste baan lang niet altijd in het verschiet ligt. • het Nationaal Jeugdorkest is de sfeer van de Jeunesses musicales ontgroeid, de sfeer waarin tweemaal per jaar een vrij traditioneel programma werd ingestudeerd waarmee vervolgens een tournee werd ondernomen. Nu zijn er de zomeracademies, met projecten op het gebied van oude zowel als nieuwe muziek, workshops, afgesplitste ensembles onder leiding van gespecialiseerde dirigenten en pedagogen. Naast het Nationaal Jeugdorkest is er bovendien het Jeugd Orkest Nederland dat blijken van niet geringere competentie heeft gegeven. Op een lager niveau zijn er heel wat plaatselijke jeugdorkesten als kweekvijver voor jong talent. Het Amersfoorts Jeugd Orkest en de Rotterdamse Jonge Filharmonie zijn maar een paar willekeurige voorbeelden. • globalisering, of tenminste Europeanisering heeft een gunstige invloed op een florissant voortbestaan van het orkestwezen. Denk aan het European Youth Orchestra, het Gustav Mahler Jugendorchester, het Chamber Orchestra of Europe. Denk verder aan de (jeugd)orkesten die uit Australië en de V.S. komen om tijdens de Robeco Zomerconcerten op te treden. • Denk verder aan Barenboims initiatief voor het West-Eastern Divan orchestra, voor Abbado’s nieuwe élan met het Luzern festival orkest en het door Solti opgezette World Orchestra for Peace. Zo louter somber als het vaak wordt voorgesteld is de situatie dus gelukkig niet, hoe zorglijk ook. Voorlopig beschikt Nederland nog over ruim genoeg hoog gekwalificeerde orkesten voor het symfonische repertoire en voor de nabije toekomst lijkt het symfonieorkest ook niet meteen een bedreigde diersoort. Waar ik me meer over opwond was een erg domme, om niet te zeggen heel onnozele lezersbrief in dezelfde krant een paar dagen na Vlaardingerbroeks betoog. De bewuste lezer stelde zo ongeveer dat het behalve voor museale muziekkunst ook geen zin meer had symfonieorkesten kunstmatig in stand te houden omdat er ‘na Sjostakovitsj toch geen symfonieën meer zijn geschreven.’ Hoe durf je en hoe onwetend kun je zijn. Gelukkig bestaat het repertoire van symfonieorkesten gelukkig niet alleen uit symfonieën, maart spelen met name ook een baaierd aan concerten en concertante werken voor diverse instrumenten, ouvertures, symfonische gedichten, serenades, allerlei suites, toneel- en balletmuzieken een grote rol. Maar los daarvan: er zouden geen ‘nieuwe’ symfonieën meer worden geschreven. Zo in de gauwigheid uit het hoofd citerend denk ik aan de volgende symfonieën schrijvende componisten met werk dat ten tijde van of na Sjostakovitsj ontstond: Maxwell-Davies, Messiaen en Goebajdoelina (1), Blomdahl, Ruders en Rouse (2), Górecki, Pärt en Tüür (3), Lutoslawski en Penderecki (4), Rautavaara (7), Hartmann en Schnitte (8), Henze (9) en Simpson plus Aho (10). En dan was er nog een ruige Zweed wiens naam me niet meteen te binnen schiet die ook een tiental afscheidde. Curieus – terzijde – de dominantie van Scandinaviërs en Balten. Ook van eigen bodem is wel wat te melden van Jurriaan Andriessen (4), Badings (4), W.F. Bon (2), Escher (2), Van Hemel (4), Ketting (1), Keuris (1), Koetsier, Landré (3) en Schat (2) als er van sommigen niet meer is bijgekomen. Toegegeven, de kwaliteit, de waarde en allure, de status en de houdbaarheidsdatum van die werken is nogal onzeker en soms heel dubieus; het is jammer dat we niet beschikken over Wells’ Time Machine om te ervaren wat hiervan de tand des tijds overleeft. Probleem is dat die werken zelden of nooit worden uitgevoerd en zo geen kans krijgen bekend en mogelijk tot op zekere hoogte populair te worden. Dat lukte in een hype alleen Górecki twintig jaar na dato (1976) tot zijn grote verbazing met zijn Symphony of sorrowful songs in de jaren negentig. Punt is wel dat menig eigentijds componist inderdaad geen symfonieën meer in traditionele vorm schrijft, maar wel symfonische orkestwerken in allerlei vormen onder de meest fantastische titels en vaak met een dominante rol voor het slagwerk waaraan een best zwaar symfonieorkest te pas komt. In die zin kan John Adams’ Harmonielehre bijvoorbeeld met een beetje goede wil ook als symfonie gelden. Trouwens ook Sjostakovitsj’ laatste symfonieën namen al een loopje met de strikte opzet van de ‘echte’ symfonie. Hoe gerechtvaardigd de zorgen over de toekomst van het symfonieorkest en zijn repertoire ook zijn, de crux van wat velen als de huidige crisis in het muziekleven zien ligt niet bij de musici en de orkesten, maar bij het slinkende publiek. Dat namelijk dreigt steeds meer te gaan ontbreken. Over de oorzaken daarvan is veel gezegd en geschreven. De gepekte en gebreeuwde muziekliefhebber behoeft weinig nadere uitleg. Die weet en voelt instinctief dat muziek een uniek vermogen bezit om gevoelsmatige, communicatieve en zelfs motorische niet alleen in het eigen brein en lichaam, maar ook in dat van anderen te synchroniseren. Die geheimzinnige bekoring wordt bereikt door een ingewikkelde interactie van achtergrondige verwachting en voorgrondige vernieuwing. Wat men ook vindt van de betrekkelijke letterlijke en figuurlijke voorbijgaandheid van ‘populaire’ muziek – een afwijkende. voorgekauwde ballast volgens de pessimisten van de Hoge Cultuur uit de nadagen van de Frankfurtse School of een vitale eruptie van onderaf voor degenen die worden verleid door de piercings en voddige, maar haast grijpbaar nabije uitdossing van veel popartiesten – het is of was tenminste mogelijk om daarnaar te luisteren in termen van identificatie met het gehoorde, van een collectief ervaren aantrekkingskracht daarvan waardoor lukraak gevoelsmatige allianties met de artiesten en de omringende fans ontstaan. Bij de westerse kunstmuziek daarentegen ging en gaat het altijd om heel andere kwesties, om iets ouders, moeilijkers, absoluters waarvoor je moeite moet doen om het je eigen te maken en dat je liefst letterlijk van huis uit moet hebben meegekregen. Geen wonder dat de ‘klassieke muziek’, hoe ongelukkig die term ook is, zich steeds meer voelt aangevallen en in een hoek waar de klappen vallen gedrukt acht. In de jaren zestig vorige eeuw werd door optimisten nog wel geprobeerd om The Beatles als het begin van een nieuwe Grote Traditie te beschouwen, juist door een wonderbare kruisbestuiving met de ‘klassieke’ wereld. Het is er ondanks allerlei crossover pogingen niet van gekomen. De afgelopen decennia is de culturele hiërarchie gaan smelten en werd deze door lawines aangetast. Dat gebeurde op verschillende manier, bijvoorbeeld tengevolge van de vrije krachten van het consumentenkapitalisme of van een echt verlangen om ‘andere’ muziek ook een plaatsje onder de zon te gunnen. Een aforisme van Norman Lebrecht luidt: “The loudest noise in World Music is the clattering of generic fences.”Misschien is het dus hoogste tijd om weer wat van die barrières op te richten in het belang van de muziekliefhebber. Sprekend voor mezelf behoudt klassieke muziek zijn vitaliteit en zijn bijzondere plaats in de maatschappij juist omdat deze van een andere orde is dan die andere bedreigende geluiden. Er is alle reden om de consensus tussen cultuurcritici en pamflettisten die beweren dat de scheiding tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur kunstmatig is en dat Beethovens Negende en Robbie Williams’ Spread your wings gelijkwaardig zijn in cultureel opzicht te doorbreken. Culturele keuzes zijn te belangrijk om over te laten aan modieuze sociologen; ze zijn ook meer dan ‘een kwestie van smaak’ of een blijk van elitair gedrag. Waar de ene muziek vooral een achtergrondfunctie heeft of voor voorbijgaand engagement zorgt – en in die zin is ook een radiozender als Classic FM als popzender te beschouwen – is er andere muziek die terecht als kunst moet worden beschouwd en die beter onze verlangens naar het sublieme bevredigt. Maar dan moeten we daar wel moeite voor doen en tijd voor uittrekken. De hierboven al genoemde, door rockmuziek beïnvloede Amerikaanse componist Christopher Rouse heeft het recht voor zijn raap gezegd: “I’m not going to talk about rock and roll anymore. It doesn’t need my help. It’s not that I not longer like that music, but I feel the wagons have been circled, and I’m going to stick with my high-falutin’, élitist, dead white European male brethren and, if necessary, go down fighting.” Daarbij heeft het helaas weinig zin om culturele bureaucraten op hun verantwoordelijkheid te wijzen of om een sceptisch, virtueel publiek aan te spreken dat toch nooit naar klassieke muziek luistert. Is het al te gewaagd om in tijden van “De Drie Tenoren” te veronderstellen dat we misschien terugkeren naar een sociale opvatting over de klassieke muziek die teruggaat tot de tijd van Haydn en Mozart? Wat wel duidelijk zorg baart, is dat de klassieke muziek zijn rol en zijn plaats in de huidige maatschappij dreigt te verliezen. Dat komt – en opnieuw bestijg ik mijn stokpaard - voor een groot deel door een gebrek aan muzikale opvoeding. Dat is in Nederland namelijk helaas al sinds mensenheugenis belabberd. Uit mijn lagere schooltijd herinner ik me alleen dat we af en toe ‘Waar de blanke top der duinen’ en ‘Piet Hein hij is groot’ zongen, op de middelbare school waren aanvankelijk helemaal geen muzieklessen in het rooster, later een enkel uurtje in de week. Tegenwoordig kun je op de middelbare school kiezen voor het profiel ‘Cultuur en maatschappij’ of ‘Culturele en Kunstzinnige Vorming’ (CKV). Wat is het curriculum van dat pakket? Hoeveel tijd en aandacht wordt daarin besteed aan klassieke muziek? Waarschijnlijk weinig of geen. Door hoeveel leerlingen wordt het gevolgd? Wat is het rendement daarvan in termen van kweek van jonge concertbezoekers? Overal wordt onderzoek naar gedaan tegenwoordig maar daar hoor je nooit wat over. Altijd al ben ik als muziekjournalist erg jaloers geweest op de collega’s uit de literatuur- en filmsector die in dag-, week- en maandbladen regelmatig veel ruimte krijgen en bij de dagbladen niet zelden aparte wekelijkse bijlagen en supplementen. Ook de popmuziek collega’s krijgen – terecht als afspiegeling van de maatschappelijke ontwikkelingen - meer en meer ruimte, maar waarom is bijna overal klassieke muziek in het verdomhoekje beland? Jeremiëren over de schijnbare, maar niet werkelijke teloorgang van het symfonieorkest, dom gezwets over het ontbreken van nieuwe symfonieën heeft geen zin wanneer niet eindelijk eens serieus iets wordt gedaan aan goed gestructureerde, vastomlijnde, kwantitatief en kwalitatief substantieel muziekonderwijs, te beginnen in het basisonderwijs, waar dat meteen op één lijn zou moeten worden gesteld met rekenen, taal en al die andere nuttige vaardigheden. Dan is er mettertijd ook een publiek dat niet alleen naar de ‘Top tien’ en het ijzeren repertoire of de hypes van het moment luistert, maar ook naar die zogenaamd niet bestaande twintigste-eeuwse symfonieën. Repertoire in overdaad, gekwalificeerde, enthousiaste musici zijn er genoeg voor een zonnige toekomst, akoestisch geschikte locaties ook, lieden die een opleiding kunstmanagement hebben gevolgd kunnen ook eens de handen uit de mouwen steken en het muziekleven zal bloeien als zelden tevoren. Maar genoeg gepreludeerd en afgedwaald. In plaats van te berusten in de als in een gebedsmolen telkens terugkerende vaststellingen over de vergrijzing van het concertpubliek, de opheffing van orkesten, de afwezigheid van allochtonen, het vaste, stijve concertritueel waaraan visueel weinig te beleven valt, zou eindelijk eens serieus moeten worden geprobeerd om de ontstane problemen niet aan de aanbodkant – bij de optredende ensembles – maar meteen in het vraagstadium aan te pakken, namelijk bij het (ontbrekende) publiek en doe dat grondig en structureel. Begin eindelijk met gedegen, behoorlijk muziekonderwijs, meteen op de basisschool. Neem een voorbeeld aan Hongarije (Kodály!!). Confronteer kinderen – en niet alleen de bevoorrechte happy few – in een geschikt lesprogramma met klassieke muziek nadat eerst competente onderwijzers (tegenwoordig meteen leraren) zijn opgeleid die niet alleen informatie verstrekken of vertellen waar je die kunt vinden, maar die echt enthousiast opvoeden. Maak muziek als nuttige bagage voor het latere leven even belangrijk als al die andere essentiële vakken. Het zal jaren, misschien zelfs generaties duren voordat zo een degelijke publiekbasis voor klassieke muziekconsumptie is gelegd. Creëer dus een groter (nieuw) publiek in plaats van te klagen over de dreigende teloorgang van orkesten. Er is werk aan de winkel in het kunst- en cultuuronderwijs om hoe dan ook een radicaal eind te maken aan de gangbare opvatting dat klassieke muziek alleen maar ‘stom’, moeilijk, saai en vervelend is. Een recent onderzoek van de Stichting Cultureel Jongeren Paspoort (CJP) naar de effecten van het vak Culturele en Kunstzinnige Vorming (CKV) op de houding van tieners registreert vrij droeve resultaten. Popmuziek, kleding, dansen (niet ballet) en film, algemene populaire uitingen oefenen aantrekkingskracht uit, maar gelden niet als cultureel. Het recept is bekend: ga als instelling en pedagoog op je hurken zitten en probeer via rap richting opera en via graffiti richting abstracte schilderkunst. Hoe dan ook, er is werk aan de winkel in het kunst en cultuuronderwijs om hoe dan ook een eind te maken aan de gangbare opvattingen dat kunst saai en vervelend is. Het zal decennia, mogelijk zelfs een paar generaties vergen, maar als zo eenmaal een getalsmatig behoorlijk groot en ontvankelijk publiek is gecreëerd komt het volgens die elementaire regels van vraag en aanbod ook met die symfonieorkesten en die zogenaamd ontbrekende symfonieën wel goed. terug naar index van Actueel Archief |
Sponsors:
U mag gerust doneren.
Advertenties:
|
|||
|
|
|||||
|
U mag gerust doneren.
|
||||